Davy werd er stil van. Hij ging rustig naast de andere jongens
staan. Samuël hoorde de stem van God: 'Sta op Samuel, deze is het
die je moet benoemen tot Koning.' Samuël gebaarde met zijn hand
en Davy moest naar voren stappen, gaan knielen voor Samuël,
terwijl zijn vader en zijn broers erbij stonden en toekeken.
|